Webinar Stichting Menno van Coehoorn Tweede deel

Geplaatst op 4 mei 2021 in Opheffing en ontmanteling en Overige

8 april 2021

Opheffing en ontmanteling van de vesting Maastricht 1867 – 1880

Tweede deel – na de pauze

De sloop van de Brusselsepoort in 1868 naar een tekening van Jan Brabant, de laatste muurresten staan nog overeind en het kostte blijkbaar grote moeite om die ook nog omver te krijgen. Kopie van een tekening van Jan Brabant, gemaakt door ing. De Ras, particulier bezit.

En dan nu aan het slopen …
Als de vestingwerken geen functie meer hebben, komt er dus grond vrij en zelfs behoorlijk wat grond, want de oppervlakte van de vestingwerken was groter dan die van de stad zelf. De terreinen zijn echter niet zonder meer geschikt om er wat anders mee te doen. Zoals we hebben gezien bestonden de vestingwerken uit bemuurde aarden wallen met daarvoor gedeeltelijk droge grachten.

Maastricht verloor wel zijn vesting, maar niet zijn garnizoen en dat garnizoen had ook bepaalde behoeften en daar was ook ruimte voor nodig. De Minister van Oorlog wenste dus a priori al een aantal terreinen te reserveren als oefenterrein voor het garnizoen en voor schietbanen. Aan de zuidwestkant van de stad werd het grootste terrein gereserveerd in de voormalige inundatiekommen. Daar konden grotere oefeningen worden gehouden en daar lag ook -vlak tegen de tweede middeleeuwse stadsmuur aan- de militaire zwemkom in een stukje van de Jekerbedding waar het water werd opgestuwd. Aan de noordwestkant werd de Linie van Du Moulin gereserveerd alsmede een deel van het fort Willem en de verbinding tussen deze beide terreinen.

De rest van de vestingwerken gingen over naar het Ministerie van Financiën, namelijk de Dienst der Registratie en Domeinen. Die dienst werd dus verantwoordelijk voor het beheer van de vestingterreinen en moest daardoor ook de werkzaamheden uitvoeren om de vestingwerken onbruikbaar te maken.

Om het proces van de ontmanteling van vestingen in het land in goede banen te leiden, werd de voormalige gemeente architect van Arnhem F.W. van Gendt aangetrokken. Hij werd op 1 januari 1868 aangesteld als Ingenieur voor de Ontmanteling der Vestingen. Van Gendt zou ook grote invloed hebben op de plannen die voor de ontmanteling van Maastricht werden gemaakt.

De verkoop van vestinggronden in Maastricht leidde tot een langdurige controverse tussen het rijk en de gemeente en pas in 1881 werd hierover overeenstemming bereikt.

Plattegrond van Maastricht omstreeks 1880 waarop de Domeingronden zijn aangegeven en ingekleurd. De gele kleur betreft de terreinen gereserveerd voor Oorlog. Rood zijn de beschikbare terreinen waarbij de in rood gearceerde delen al zijn verkocht. In blauw zijn de terreinen aangegeven die al aan Waterstaat en Staatsspoorwegen zijn afgestaan. Particuliere collectie.

Waarom sloop/egalisatie?
Het primaire doel van de ontmanteling was uiteraard het onbruikbaar maken van de opgeheven vesting, maar daarnaast konden er ook andere doelen worden bereikt. Zo ontstond er de mogelijkheid het verkeer zowel te land als over water en spoor te verbeteren door bredere toegangswegen aan te leggen, vernauwingen in de waterwegen op te heffen en de spoorwegen beter bereikbaar te maken. De industrie zat al langere tijd te wachten op meer ruimte en de stad zou zich kunnen ontplooien op de terreinen die beschikbaar kwamen.

Sloopbestekken
Tussen november 1867 en juni 1878 werden dertig sloopbestekken aanbesteed. Ik heb ze inmiddels op deze website beschreven in het artikel ´De sloopbestekken van de vesting Maastricht 1867 – 1878. In dat artikel komen ook de bijzondere bepalingen, de fotografie, het peil van de slechting en de mijngalerijen aan bod.

Overeenstemming in 1881
In 1881 komt er dan eindelijk toch een overeenkomst tussen de gemeente en het rijk over de aankoop van de resterende vestinggronden. Van de 255 hectare zijn er dan nog 115 over. De rest ging al naar het garnizoen, naar de industrie, naar waterstaat en naar de spoorwegen.

Het Ministerie van Financiën lijkt daarmee goede zaken te hebben gedaan. De kosten van de slechting bedroegen fl 314.000,– en de opbrengsten tot 1880 waren fl 399.700 en op dat moment (in 1880) waren er nog 132 hectaren te verkopen.

Redden wat er te redden valt
Terwijl plannen voor de sloop werden gemaakt en de slopers ook daadwerkelijk aan de slag gingen, waren er ook een aantal mensen die probeerden monumentale delen van de vestingwerken te behouden en waar dat niet lukte zo goed mogelijk vast te leggen wat er zou gaan verdwijnen.

In die tijd zag men overigens vooral de monumentale waarde van de middeleeuwse verdedigingswerken. De latere buitenwerken kregen daarbij weinig aandacht. Ik zie daar overigens wel paralellen met de huidige tijd. In mijn begintijd als correspondent voor Stichting Menno van Coehoorn werden de betonnen bunkers en forten uit de twintigste eeuw nog maar matig gewaardeerd. Over Duitse bunkers werd om andere redenen weer gezwegen. Op het moment dat ik dit schrijf, zijn we ons actief aan het realiseren dat we het erfgoed uit de Koude Oorlog niet uit het oog moeten gaan verliezen. De jongste monumenten hebben het dus blijkbaar altijd moeilijk om aandacht te krijgen en dat was in de tweede helft van de negentiende eeuw niet anders.

Alexander Schaepkens (1815 – 1899)
Was voorzitter van het Geschied- en Oudheidkundig Genootschap en pleitte voor het behoud van bepaalde delen van de vesting. Hij schakelde namens het genootschap tekenaar Johannes Brabant in om panoramatekeningen van de vesting te maken. Zelf maakte hij ook een serie tekeningen vooral van stadspoorten. Zijn ingekleurde tekeningen waren romantisch van opzet en zijn een aantal malen gereproduceerd. Ze hangen waarschijnlijk ook nu nog in menige Maastrichtse huiskamer aan de muur.

Victor de Stuers (1843 – 1916)
We kennen Maastrichtenaar Victor de Stuers waarschijnlijk als de eerste echte monumentenbeschermer van het land. Ook ten tijde van de ontmanteling van Maastricht, kwam hij op voor het behoud van monumenten en voor documentatie van wat zou verdwijnen. Hij was in die tijd ongeveer 25 jaar oud, studeerde rechten in Leiden en was correspondent van de Commissie Vaderlandse Kunst. Hij zorgde zelf voor foto´s van de Tongersepoort en regelde dat vanaf sloopbestek 2 belangrijke delen van de vesting zouden worden gefotografeerd.

Minder bekend is dat hij zelf ook een aantal zeer fraaie tekeningen maakte van de vestingwerken.

Op weg naar een nieuwe stad
De opheffing en ontmanteling van de vesting maakte -zeker nadat er ook met de gemeente overeenstemming was bereikt- de weg vrij voor de ontwikkeling van de stad. Er werden singelwegen aangelegd die grofweg het tracé van de oude stadsmuur en de ervoor gelegen gracht volgden en vanuit die singels werden nieuwe woonwijken opgezet en ontsloten. Dat is een patroon dat we ook in andere opgeheven vestingsteden terugvinden.

In die nieuwe stad kregen de vestingwerken die gespaard bleven ook hun plek. De middeleeuwse stadsmuren werden opgenomen in idyllische parken waar ze een romantisch decor vormden. Dat leidde aan het begin van de twintigste eeuw zelfs tot herbouw naar middeleeuws model van delen van de stadsmuren in de buurt van de Helpoort.

Schetsmatig plan voor de aanleg van wegen en straten omstreeks 1870. RHCL GAM 1720..

Na 1880
Helaas moeten we constateren dat de afbraak van vestingwerken niet stopte nadat de sloopbestekken waren uitgevoerd. Regelmatig verdwenen er grotere en kleinere stukken vesting en tot op de dag van vandaag is waakzaamheid geboden.

Als voorbeeld kan hier het verdwijnen van bastion Randwyck en een daar achter gelegen vierkante redoute uit de tijd van Vauban worden genoemd. Deze werken verdwenen volledig in het kader van de kanalisatie van de Maas in 1976.

Bastion Randwyck en de redoute zijn op deze foto uit 1969 nog met enige moeite te onderscheiden. Foto L.J. Morreau.

Om te lezen
Ingrid M.H. Evers en Jos Notermans, Geslechte vestingwerken van Maastricht, Maastricht 2005.

Isja Finaly, Doorbroken barrières, Architect F.W. van Gendt (1831 – 1900) en de negentiende-eeuwse stadsuitbreidingen, Bussum 1996

Marijke Martin, Opkomst van de moderne stad, ruimtelijke veranderingen in Maastricht, 1660 – 1905, Zwolle 2000.