Het paradijsgasthuis

Geplaatst op 26 januari 2021 in Garnizoen en Hospitalen

Van het Paradijs naar de hemel?[i]

In het Rampjaar 1672 moest de Republiek der Verenigde Nederlanden zich voorbereiden op een aanval van de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV. Als vooruitgeschoven post van de Republiek kreeg de vesting Maastricht in dat jaar een tijdlang een garnizoen van ongeveer 11.000 man. Het valt te begrijpen dat een dergelijke concentratie krijgsvolk in de beperkte ruimte binnen de stadsmuren tot grote hygiënische en medische problemen leidde. In dat jaar werd een groot aantal zieke en gewonde soldaten opgenomen in ‘het sieckhuys genaampt het Paradijs’. Dit uit barakken bestaande complex lag in de Nieuwstad buiten de Helpoort en was ‘de ordinarisse plaatse, die dese Stadt gebruyckt tot een gasthuys van de gepestifereerde ende andere contagieuze sieckten’, het stedelijke pesthuis dus. Toen een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van stadsbestuur en garnizoen de instelling in het najaar inspecteerde, bleken er ernstige wantoestanden te heersen. Een van de oorzaken daarvan was het feit dat de officieren, die voor de opgenomen soldaten verantwoordelijk waren, geen financiële bijdrage afstonden voor hun verpleging en verzorging. Het stadsbestuur had daar al meermaals over geklaagd en vastgesteld dat daardoor de zieke soldaten ‘seer quaelyck geaccommodeert syn, ende miserabel blijven liggen’. Helaas was dat niet het enige probleem in het Paradijs. Er bleken ook veel gezonde personen te verblijven die op stadskosten werden gevoed en er bestond ‘weinigh ordre … in ’t tracteeren en cureren der siecken en gequetsten’. Tot slot werd vastgesteld dat  ‘den binnenvader oft Opsiender oock de minste Capaciteyt niet en scheen te hebben om soo danich sieckhuys waar te neemen …’.

Het Paradijsgasthuis of stedelijk pesthuis lag op het stukje grond tussen Helpoort, Pater Vinktoren en Jeker. De ruimte wordt tegenwoordig voor een deel gebruikt als terras voor D´n Hiemel. Op deze afbeelding zien we links benende de rechter toren van de Helpoort. Afbeelding RHCL.

De commissie greep in en bepaalde dat de niet zieken het gasthuis terstond dienden te verlaten en dat de doktoren en chirurgijns ervoor moesten zorgen dat opgenomen militairen naar behoren werden verzorgd. Daarnaast had de commissie het Kruisherenklooster, het Bonnefantenklooster en het Faliezustersklooster bezocht en vastgesteld dat in die kloosters geen geschikte ruimtes waren om in de winter zieken en gewonden onder te brengen. Als geschikt alternatief kwam wel het Minderbroedersklooster uit de bus. Er verbleven daar weliswaar weeskinderen, maar die zouden dan maar moeten verhuizen naar het Jezuïetenklooster. Het stadsbestuur ondersteunde dit plan en op 19 mei 1673 gaven ook de Staten-Generaal toestemming om het plan uit te voeren. Door de belegering van 1673 konden  de plannen echter niet worden uitgevoerd.

Aan het einde van de negentiende eeuw was de omgeving waar het Paradijsgasthuis had gelegen zoals we dat tegenwoordig noemen tamelijk verrommeld. Op deze foto zien we rechts het gebouw dat nu ten onrechte Pesthuis wordt genoemd en daar achter een deel van de Helpoort. Foto: RHCL.

Ook in de jaren 1703 tot 1715 werd het Paradijsgasthuis regelmatig gebruikt als ‘extraordinair hospitaal’ waarschijnlijk op die momenten dat de capaciteit van het inmiddels opgerichte garnizoenshospitaal werd overschreden. De Spaanse Successie-oorlog (1701-1714) zorgde, ondanks het feit dat Maastricht niet werd belegerd, regelmatig voor militaire activiteit in de omgeving. Een zekere Walrad Schwenken of Swinken werd op 4 juni 1703 op aanbeveling van Daniel Wolff van Dopff (1650-1718), commandant van de vesting, benoemd tot hospitaalmeester in het Paradijs. Schwenken zelf schrijft dat hij de ‘Opsiendersplaetse’ kreeg als opvolger van Gerard Jaspart die was overleden. De hospitaalmeester hield in een aantal boeken administratie bij van de aantallen opgenomen militairen omdat hij op basis van die getallen zijn onkosten kon declareren. We zien in de boekhouding dat er patiënten van het garnizoenshospitaal werden overgeplaatst naar het Paradijs. Ook is er regelmatig sprake van opgenomen Franse gevangenen. Schwenken noteerde in zijn boekhouding dat het extraordinaire hospitaal in Maastricht op 31 december 1715 werd gesloten. Daarna werd het Paradijs waarschijnlijk niet meer als militair hospitaal gebruikt.


[i] Jos Notermans, ‘Rond de oprichting van het militair hospitaal’ in: Om de Vesting  1 (1986) p. 8-11.

Meld u nu aan voor onze nieuwsbrief

Aanmelden