Epidemieën in het militair hospitaal van Maastricht in 1793 en 1794

Geplaatst op 10 mei 2021 in Garnizoen en Hospitalen

Een militaire ziekenzaal ergens in Nederland, waarschijnlijk aan het einde van de negentiende eeuw. Herkomst van de afbeelding is onbekend.

In de legerhospitalen kreeg men in vroeger tijden niet alleen te maken met gewonden, maar ook met besmettelijke ziekten. Deze konden vaak snel om zich heen grijpen door de omstandigheden waaronder de soldaten leefden. Tijdens veldtochten van legers konden de verliezen zelfs zonder dat er gestreden werd aanzienlijk zijn als gevolg van bijvoorbeeld buikloop en allerlei koortsende ziekten.[1] Ook een concentratie van veel zieken en gewonden op één plaats kon tot grote problemen leiden. De gebeurtenissen in het militaire hospitaal van Maastricht in de jaren 1793 en 1794 kunnen dit op treffende wijze illustreren.

De epidemie van mei 1793
De vesting Maastricht werd in het voorjaar van 1793 ingesloten en gebombardeerd door een Franse legermacht onder aanvoering van Francesco de Miranda.[2] Het Franse leger breekt de aanval op de vesting op 2 maart af als er berichten binnen komen dat een aanzienlijke Oostenrijkse legermacht op weg naar Maastricht is. Tijdens de insluiting en beschieting van de vesting werden uiteraard de zieke en gewonde soldaten van het garnizoen in het militaire hospitaal opgenomen. Als vervolgens op 18 maart de Slag bij Neerwinden plaatsvindt, wordt de vesting Maastricht de avond en nacht na die slag overspoeld door gewonde Oostenrijkse bondgenoten en eveneens gewonde Franse krijgsgevangenen. Het keizerlijke (Oostenrijkse) leger richt al snel daarna veldhospitalen in te Hocht en Rekem en daarheen kunnen dan de lichtgewonden worden afgevoerd. De zwaargewonden bleven echter in Maastricht.[3]

Het garnizoenshospitaal van Maastricht was in de jaren 1793-1794 gevestigd in twee vleugels van het Oude Minderbroedersklooster. Het betreft de vleugel waar we tegen aan kijken en de vleugel geheel links in beeld. De zogenaamde commandantswoning rechts was ook bij het hospitaal in gebruik. Tekening van Ph. van Gulpen, RHCL Tekeningen en prenten GAM 33.

De gevolgen van deze concentratie van gewonden onder naar alle waarschijnlijkheid minder gunstige hygiënische omstandigheden blijven niet uit. Begin mei bereiken de Raad van State, die de eindverantwoordelijkheid had inzake het hospitaal, zeer verontrustende berichten. Medicinae doctor professor Vrythoff[4], twee chirurgijns, drie oppassers en de weduwe Smit, entrepreneuse[5] van het hospitaal waren overleden aan de ´vehemente koortse´ die er heerste sinds de komst van de keizerlijke en Franse soldaten.[6] Dokter Coninx en een derde chirurgijn zouden op de rand van de dood hebben gebalanceerd en het leek er op dat niemand meer het hospitaal binnen kon komen zonder zelf ook ziek te worden. Chirurgijn Mancel wist niet beter te doen dan opdracht te geven zo snel mogelijk een nieuwe plaats te zoeken voor de verzorging en verpleging van de zieken en aldaar iedereen te voorzien van nieuwe matrassen, beddengoed en kleding. Het hospitaal werd daarop verplaatst naar het Sint-Andriesklooster. Op 20 juni keerden de zieken weer terug nadat het hospitaal ´… gantsch en geheel gezuiverd …´ was.[7]
De epidemie was hiermee waarschijnlijk onder controle, er werd in elk geval niet meer over geschreven. Het kordate optreden van chirurgijn-majoor Mancel ten tijde van de besmettelijke ziekte werde achteraf geprezen en zelfs de militaire gouverneur, Frederik van Hessen, zou vol lof zijn geweest.[8]

Nieuwe functionarissen
Professor Vrythoff, die zoals we zagen tijdens de epidemie overleed[9], werd op 22 mei 1793 opgevolgd door doctor Pieter Coninx.[10] Coninx was al op 6 mei 1789 aangesteld tot adjunct-doctor bij het hospitaal ´zulks echter zonder eenig bezwaar van de Hospitaals Kasse´, hetgeen betekent dat hij als onbezoldigd medewerker of als vrijwilliger functioneerde. Hij onderscheidde zich met name tijdens het bombardement van de vesting.[11] Stadsdoctor E.W.L. Meurs solliciteerde eveneens naar de vacante post, maar de Raad van State gaf de voorkeur aan Coninx.[12]

Als opvolger voor de overleden aannemer, de weduwe Smit, meldde zich haar schoonzoon J.N. Wendel. Hij kreeg op 9 juli inderdaad het contract voor de verzorging van de opgenomen patiënten voor een periode van vier jaar. Hij zou daarvoor 13 Luikse stuivers per man per opnamedag krijgen.[13]

De epidemie van december 1793 tot januari 1794
Rond de jaarwisseling van 1793 – 1794 ontstond er in het hospitaal opnieuw een situatie waarbij een besmettelijke ziekte snel om zich heen kon grijpen. Op 9 december 1793 kwam er een bericht dat het Staatse veldhospitaal in Nivelles zou worden opgeheven en dat de zieken naar Maastricht zouden worden verplaatst. Een eerste transport met meer dan tachtig zieken was op dat moment al onderweg.[14] Twee dagen later ontstond de vraag of het hospitaal in Maastricht een en ander wel aan zou kunnen. Het hospitaal diende immers ook de zieken van de legeronderdelen die in het bisdom Luik verbleven, op te vangen. De staf van het hospitaal zou wel kunnen worden versterkt met personeel van het opgeheven veldhospitaal. De ´doctor te velde´ Verzijl Muilman bevond zich in elk geval al binnen de vesting.[15]

Om de stroom zieken uit het veldleger beter te kunnen opvangen, werd gezocht naar een alternatieve locatie. Binnen de muren van de vesting was echter niets te vinden omdat veel gebouwen al voor de inkwartiering van troepen in gebruik waren. Daar kwam nog bij dat tijdens het bombardement van begin 1793 een aantal kazernes waren vernield. Deze waren nog niet gerepareerd. De artsen wezen het gebruik van kerken als hospitaal van de hand om ´… reedenen dat men in deselve de leijken begraaven heeft en door het stooken van Vuur de kwade Dampen die daar door zouden ontstaan die Zieken tot grooten Naadeel zoude verstrekken.´[16] Uiteindelijk werd er ten behoeve van het hospitaal een huis in het nabijgelegen dorp Sint Pieter gehuurd. De kersverse aannemer van het garnizoenshospitaal, Wendel, liet op 18 december weten dat hij de zieken in dat huis zou kunnen verzorgen voor tien stuivers per dag.  Doctor Nijs en chirurgijn-majoor Abels zouden geneeskundige zorg verlenen aan de zieken die van buiten de vesting kwamen. Intussen deed men er alles aan het aantal opgenomen patiënten zo klein mogelijk te houden o.a. door te bepalen dat de ´reconvalescenten´het hospitaal en het huis te Sint Pieter zo snel mogelijk moesten verlaten. De troepen in winterkwartier in het bisdom Luik mochten bovendien slechts in uitzonderingsgevallen hun zieken naar Maastricht sturen.[17]

Het hospitaal te Sint Pieter
Aannemer Wendel laat op 23 december weten dat hij de zieken te Sint Pieter niet meer naar behoren kan verzorgen vanwege het grote aantal patiënten dat inmiddels in het garnizoenshospitaal zelf was opgenomen. Ook doctor Nijs had zich al terug getrokken en in zijn plaats trad sinds 14 december zijn collega Flix (ook wel Vliex) die echter wel tien gulden per dag eiste voor zijn diensten. Hij motiveerde dit bedrag door aan te voeren dat hij vanwege de vele lijders aan besmettelijke ziekten dagelijks meerdere visites buiten de stad moest maken ´… in dit Ruuwe winter saison …´. Als gevolg hiervan diende hij zich voor zijn eigen patiënten in de stad te laten vervangen.[18] Hoewel de Raad van State deze dagprijs exorbitant hoog vond, moest zij er toch mee akkoord gaan omdat er niemand anders beschikbaar was.[19] Voor de verzorging te Sint Pieter was er aanvankelijk niemand die dat voor minder dan een gulden per dag per man wilde doen. Uiteindelijk bleek chirurgijn Abels toch bereid dit samen met een zekere Bertrand aan te nemen voor 10 stuivers, op voorwaarde dat hij niet voor meubilair, kleding en dergelijke hoefde te zorgen.[20] Abels nam hiermee wel een bijzondere positie in omdat hij enerzijds als chirurgijn een belangrijke taak had met de medische zorg voor de opgenomen soldaten en anderzijds nu ook verantwoordelijk werd voor de meer huishoudelijke zorg. Hij had overigens voor de medische zorg te Sint Pieter een ´aide´ aangesteld die er ook ´s nachts zou verblijven. Intussen waren er op 28 december al 232 patiënten uit het veldleger opgenomen verdeeld over de twee locaties. Te Sint Pieter zou er plaats zijn voor 190 zieken en in het garnizoenshospitaal voor 150.[21]

Het loopt opnieuw uit de hand
Begin januari blijken er grote problemen in het hospitaal te Sint Pieter te bestaan. Diverse functionarissen zijn ziek en men maakt zich grote zorgen over de besmettelijke ziekte onder de soldaten van het veldleger. Die zou zelfs voor de stad Maastricht gevaar kunnen opleveren. De Raad van State kan op dat moment alleen maar bemoedigende woorden spreken en de verzekering geven dat alle inspanningen beloond zullen worden.[22] Aannemer Wendel van het garnizoenshospitaal komt spoedig daarna te overlijden en doctor Flix blijkt ziek te zijn. Zijn taak wordt overgenomen door collega Bos. Deze acht het noodzakelijk de herstellende patiënten onder te brengen in een wachthuis in de buitenwerken van de stad. De wacht die daar zetelde, wordt verplaatst naar een woonhuis.[23]

De gebouwen in Houthem die in 1794 als hospitaal in gebruik werden genomen, maken tegenwoordig deel uit van deftige Château Sint Gerlach. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=24135951.

Op 17 januari bevestigen doctor en chirurgijn van het garnizoenshospitaal dat er opnieuw een epidemie is uitgebroken. Zij geven als oorzaak daarvan het grote aantal zieke militairen zowel in het garnizoenshospitaal als in het nieuwe hospitaal te Sint Pieter. Ze doen het voorstel de zieken te verplaatsen naar het klooster van Sint Gerlach en de Raad van State keurt dat plan onmiddellijk goed. Het grote kloostergebouw in Houthem wordt geprezen om zijn gezonde lucht en zijn ligging aan het riviertje de Geul en is niet in gebruik.[24] Enkele dagen later zijn de voorbereidingen voor de verplaatsing van de zieken in volle gang. Een geëmigreerde Franse arts, Le Febre (ook wel Le Fevre) blijkt bereid voor een ducaat per dag samen met chirurgijn Abels de zorg in het klooster op zich te nemen. Le Febre heeft ervaring opgedaan in de hospitalen van het Oostenrijkse leger. Beiden krijgen van de Raad van State een voorlopige aanstelling omdat er nog een mogelijkheid is dat personeel dat reeds in dienst is van elders naar Sint Gerlach zal worden gestuurd.[25] Op 24 januari komen de eerste 140 patiënten aan in Houthem.[26] Met de overplaatsing van de zieken is waarschijnlijk het gevaar van de epidemie geweken, er wordt in elk geval in de schriftelijke bronnen geen aandacht meer aan gegeven.

Het ´Groot Hospitaal´ Sint Gerlach
De kloostergebouwen in Houthem die in gebruik zijn als uitwijkplaats voor het hospitaal in Maastricht, worden vanaf 25 maart 1794 ´Groot Hospitaal voor de armée van den staat´.[27] Dergelijke grote hospitalen worden op 17 februari 1794 in het kader van een reorganisatie van de geneeskundige zorg te velde in het leven geroepen. Een groot hospitaal vormt in de nieuwe organisatie het achterste van een drietal echelons. In de buurt van het hoofdkwartier te velde ligt het ´Veld of Ambulant Hospitaal´ met een capaciteit van 200 patiënten. Op een afstand van vijf of zes uur gaans daar achter komt het ´Vast Veld Hospitaal´ waarin ruimte moet zijn voor 400 patiënten. Het ´Groot Hospitaal´ met een capaciteit van 600 man komt vervolgens op een afstand van twaalf tot vijftien uur.[28]

Het groot hospitaal is slechts enkele maanden in het klooster gevestigd. Het oorlogsfront nadert met rasse schreden en doctor Van Meurs die in het hospitaal de scepter zwaait, laat op 28 juni weten dat hij al zes dagen eerder met zijn patiënten naar Rotterdam is vertrokken.[29]

Op 23 maart 1794 zijn er 370 patiënten in Houthem[30] en dat aantal is in de loop van mei teruggelopen tot 160 à 170 man.[31]  Op 31 mei zijn er echter alweer 401 zieken en 81 gewonden en die aantallen zijn op 28 juni resp. 405 en 152.[32]         

In het naburige dorp Houthem worden de burgers door de aanwezigheid van het hospitaal geconfronteerd met -soms zieke- vrouwen en kinderen van de opgenomen soldaten. Deze familieleden kunnen ten gevolge van de geldende regels niet tot het hospitaal worden toegelaten. In een tamelijk schrijnend geval weigert de aannemer van het hospitaal tot tweemaal toe een zieke vrouw op te nemen. Na de eerste weigering wordt zij op een kar naar Maastricht vervoerd, maar vandaar weer teruggestuurd. Vervolgens staat de kar in Houthem twee uur in de stromende regen en pas als de burgemeesters van het dorp een dringend beroep op de aannemer doen, laat deze de vrouw en haar kinderen binnen in het hospitaal.[33] 

Jos Notermans   

Dit artikel is een bewerking van een artikel dat eerder werd gepubliceerd in Om de Vesting 1990 nummer 4, 43-45.                                                


[1] Notermans J. Het militaire hospitaal te Maastricht in het midden van de achttiende eeuw. Nijmegen 1985, 41-43.
[2] Jos Notermans, Een kijkje in de Franse keuken door een Spaanse bril. Francisco de Miranda en de aanval op Maastricht in 1793. In: De Maasgouw 2017 nummer 3, 120-127.
[3] Nationaal Archief, Raad van State (NA RVS) missiven mei 1793.
[4] Johannes Bernardus Vrythoff (Maastricht 12 juli 1724 – 15 april 1793) was sinds 1749 werkzaam in het militaire hospitaal Maastricht. Aanvankelijk werkte hij er als tweede arts. Een biografie is te vinden in: Sassen F., De Illustre School te Maastricht en haar Hoogleraren (1683 – 1794) Amsterdam/Londen 1972, 60-62.
[5] Entrepreneuse = aannemerse, over de functie van aannemer in het hospitaal zie: J. Notermans, De aannemer van het militair hospitaal te Maastricht. In: Om de vesting 1988 nr 1, 9-11 en het artikel De aannemer van het hospitaal op deze website.
[6] NA RVS, missiven mei 1793.
[7] NA RVS, Verbaalen van Maastricht 1793, 19 juni.
[8] Ibid.
[9] NA RVS, resoluties 21 mei 1793.
[10] NA RVS, resoluties 22 mei 1793.
[11] Ibid.
[12] Ibid.
[13] NA RVS, resoluties van 29 april, 7 juni en 9 juli 1793.
[14] NA RVS, resoluties 9 december 1793.
[15] NA RVS, resoluties 11 december 1793.
[16] NA RVS, resoluties 14 december 1793.
[17] NA RVS, resoluties 18 december 1793.
[18] NA RVS, resoluties 23 december 1793.
[19] NA RVS, resoluties 28 december 1793.
[20] NA RVS, missiven 23 december 1793.
[21] Ibid.
[22] NA RVS, resoluties 10 januari 1794.
[23] NA RVS, resoluties 13 januari 1794.
[24] NA RVS, resoluties 17 januari 1794.
[25] NA RVS, resoluties 24 januari 1794.
[26] NA RVS, inv. nr. 2075, militair hospitaal Maastricht.
[27] NA RVS, resoluties 28 maart 1794.
[28] Kerkhoff A.H.M., Over de geneeskundige verzorging in het Staatse leger, Academisch proefschrift, Nijmegen 1976, 155.
[29] Kerkhoff, 166-167.
[30] NA RVS, inv nr 2075, Lijste der Sieken die Geduurende deeze week als van den 17e Maart tot den 23 Dito 1794 in ´s Lands Militaire Hospitaal te St. Gerlach zijn ingekoomen, Overleden, Uytgegaan en blijven.
[31] NA RVS, inv nr 2075, Schrijven van Van Meurs aan Gouverneur Van Hessen Cassel dd 28 mei 1794.
[32] NA RVS, inv nr 2075, Maand-lijste der Manschappen welke zig bevinden in ´t Hospitaal te St Gerlach van den 31 Meij 1794 tot den 28 juni 1794.
[33] Kerkhoff, 164-165 en NA RVS inv nr 2075.