Inleiding
Achter de bebouwing van de Statensingel, in het gebied van de Linie van Du Moulin ligt tegenwoordig één vestingwerk dat strikt genomen geen onderdeel van die linie was. Het bastion Saxen lag net als de werken Welderen, Maria, Oranje, Staten Generaal en Raad van State in deze omgeving tussen de Linie en de tweede stadsmuur. Behalve Saxen verdwenen alle andere genoemde werken na de opheffing van de vesting in 1867.

Het plan Van Dopff uit 1688
Begin maart 1688 vond er in Maastricht een conferentie plaats over de verbetering van de vesting Maastricht. George Frederik, graaf van Waldeck (1620-1692) was toen militair gouverneur in de stad en trad op als voorzitter.[1] Aan het overleg namen ook de gedeputeerden van de Raad van State deel en het belangrijkste agendapunt was een door militair ingenieur Van Dopff (1650-1718)[2] opgesteld plan bedoeld om de Hoge Fronten van de vesting verder uit te bouwen. Al vrij snel daarna werd het plan in Den Haag en in het bijzijn van de Prins van Oranje goedgekeurd. Het was de bedoeling dat in de jaren 1688-1690 acht bemuurde bastions met bijbehorende grachten en bedekte wegen zouden worden aangelegd. De uitvoering van het plan werd voortvarend ter hand genomen en nog in het jaar 1688 kwamen de bastions Engeland, Saxen en Holsteyn tot stand. De gefaseerd geplande aanleg van de overig vijf bastions kwam in de jaren 1689 en 1690 niet echt op gang. Alleen het bastion Waldeck werd in 1690 nog aangelegd.
Vier bastions
De vier bastions die werden aangelegd hadden een vijfhoekige plattegrond en waren gedetacheerde werken. Dit laatste betekent dat ze niet door middel van aansluitende wallen of muren waren aaneengesloten tot een doorlopende vestingwal. Het waren met metselwerk beklede uit aarde bestaande vestingwerken. Het metselwerk bestond uit een achterste deel dat in mergel was opgebouwd en een buitenste muur of schildmuur in baksteen. Die bakstenen muur stond op een lage mergelplint van enkele mergelblokken hoog. Kenmerkend voor deze bastions zijn de mergelkettingen die op gezette afstanden in het metselwerk en ook op de hoekpunten werden aangebracht. Deze bouwstijl met mergelkettingen is in de vesting Maastricht typerend voor de werken die naar plannen van Van Dopff werden gebouwd. We vinden ze bijvoorbeeld ook terug in het oorspronkelijke metselwerk van het fort Sint Pieter. Of deze mergelkettingen een functie hadden of uitsluitend decoratief bedoeld waren, is niet duidelijk.
De keel of achterkant van de bastions werd afgesloten door middel van een bakstenen muur met schietgaten. In het midden van die muur bevond zich de toegangspoort tot het terreplein[3].
De bastions kregen eenvoudige naamstenen uitgevoerd in hardsteen. Van de vier naamstenen bleef alleen die van bastion Waldeck bewaard. In de linker face van bastion Holsteyn werd in 1979 in het kader van de restauratiewerken een gereconstrueerde naamsteen geplaatst[4]. Over de verloren gegane naamsteen van bastion Saxen circuleerde in de jaren 1970 een gerucht dat aan de voet van de muren hardstenen fragmenten voorzien van letters hadden gelegen. Die stenen werden tot op heden nog niet terug gevonden, maar er is bij mijn weten ook nooit goed naar gezocht of gegraven.
De naam Saxen
Het bastion Saxen, gebouwd in 1688, dankt zijn naam mogelijk aan het feit dat het hertogdom Saksen in de Negenjarige Oorlog (1688-1697) een bondgenoot van de Republiek was. Een andere mogelijkheid is dat het vernoemd is naar hertog Johan Ernst van Saksen-Saalfeld (1658-1729) die in 1677 in de Republiek deelnam aan de strijd tegen Frankrijk.
Veranderingen/verbouwingen
In de jaren na 1764 werd vastgesteld dat de tussenruimtes tussen de bastions Maria, Saxen en Oranje te groot waren, waardoor deze vestingwerken elkaar onderling onvoldoende konden ondersteunen. In verband daarmee werden de bestaande flanken van bastion Saxen afgebroken en de facen verlengd. Aansluitend op de nieuwe facen werden twee korte flanken gebouwd. Deze werkzaamheden werden in juni 1770 voltooid.[5] Lang hebben die twee nieuwe flanken niet overeind gestaan, want in de jaren 1775-1777 werden ze op hun beurt gesloopt en vervangen door nieuwe holle flanken. Tegelijkertijd kreeg het bastion in de keel een kazemat en een kruitkelder en werd er achter het bastion een in aarde uitgevoerde tenaille opgeworpen. Deze laatste werkzaamheden werden uitgevoerd in het kader van het project van Du Moulin voor de Hoge Fronten. Ze worden beschreven in het bestekboek aangaande het tweede of binnenste gedeelte van zijn project. Deze werkzaamheden zijn op 1 juli 1775 aanbesteed en de werkzaamheden aan bastion Saxen maakten onderdeel uit van het vierde perceel van het bestekboek.[6]

Na de opheffing van de vesting Maastricht in het jaar 1867 bleven de vestingwerken van de Linie van Du Moulin en het bastion Saxen behoren tot de gereserveerde terreinen ten behoeve van het garnizoen. Er werden in het gebied vijf schietbanen aangelegd en daarvoor werden de vestingmuren en -wallen op vier plaatsen doorbroken. Twee van die doorbraken werden in het kader van de restauratiecampagnes in de jaren 1970 en 1980 ongedaan gemaakt. De bres in de rechter face van bastion Saxen bleef wel behouden. Deze maakte onderdeel uit van een schietbaan waarvan het doel op de bedekte weg tegenover de saillant van bastion Holsteyn stond. Ten behoeve van die schietbaan was er ook een bres in de muur en wal van bastion Erfprins naast sortie D. De schietstand bevond zich achter de linker flank van bastion Saxen. Een van de andere, kortere, schietbanen bevond zich in de gracht voor de linker face van Saxen. Het doel van die baan bevond zich in de keel van bastion Erfprins.
Mijngalerijen
Net als de bastions Waldeck, Engeland en Holsteyn kreeg ook Saxen bij de bouw in 1688 een mijngangenstelsel dat gedeeltelijk in metselwerk werd uitgevoerd. Het gemetselde deel bestond uit een kapitale galerij[7] die eindigde in een koepel. De galerij was vanuit de keel van het bastion toegankelijk. In de wand van de koepel werden vier dichtgemetselde uitsparingen aangebracht van waaruit zo nodig nieuwe met hout gestutte galerijen konden worden geopend. Gangen uit deze periode bleven behouden onder de bastions Waldeck, Engeland en Saxen. Zowel de galerij als de koepel worden gekenmerkt door gedrukte, afgeplatte gewelven. De koepel heeft een doorsnede van ongeveer drie meter. Waarschijnlijk zijn deze gemetselde galerijen al vrij snel uitgebreid met een aantal in aarde uitgegraven en met houtwerk gestutte gangen. Zo zijn er in het jaar 1701 houten galerijen onder de buitenste bedekte weg van de Hoge Fronten die talrijke korte uitlopers onder het glacis hebben. Vanuit dergelijke magistrale galerijen[8] waren er ook achterwaartse verbindingen met de gemetselde delen van het gangenstelsel. In de decennia daarna worden de gangenstelsels niet of nauwelijks onderhouden hetgeen leidt tot het instorten van grote delen van de niet gemetselde gangen. Er worden plattegronden gemaakt met daarop de bovengrondse verzakkingen die door het instorten van de galerijen waren veroorzaakt.

Het mijngangenstelsel van bastion Saxen wordt in 1747 samen met dat van een aantal andere bastions vernieuwd. De nog bestaande gemetselde koepel en kapitale galerij worden opgenomen in het nieuwe gemetselde stelsel. Het nieuwe stelsel bestaat uit een verbindingsgang vanuit de koepel en twee dwarsgangen naar de facen en en één naar de linker flank. Die drie galerijen zijn voorzien van mijnovens.[9]
De ondergrondse verdediging van de vesting wordt in datzelfde jaar ook nog versterkt met de bouw van 27 groepjes van telkens drie fougasgalerijen onder de uitspringende hoeken van de vesting. Ook voor het bastion Saxen kwam zo´n groepje van fougasgalerijen tot stand. Het waren korte lage gemetselde galerijen met een tongewelf. Aan het einde had de galerij een korte dwarstak waarin drie mijnovens waren gebouwd. Ze waren aanvankelijk elk afzonderlijk bereikbaar via een gemetselde toegangsschacht. Later zouden de drie fougasgalerijen met elkaar worden verbonden en soms zelfs in verbinding gebracht met de meer stadwaarts gelegen galerijen.[10]

Als Carel Diederik Du Moulin in de jaren 1771-1783 de hele ondergrondse verdediging van de vesting Maastricht moderniseert, maken slechts enkele oudere gemetselde gangenstelsels nog onderdeel uit van die ondergrondse verdediging. De gangen van bastion Saxen behoren daar dan wel nog toe.[11] Het in metselwerk uitgevoerde deel van het gangenstelsel Saxen blijft een onderdeel van de ondergrondse verdediging van de oge Fr Hoge Fronten tot aan de opheffing van de vesting Maastricht in het jaar 1867. Bij de egalisatie van de vestingterreinen in de decennia daarna, gaat de toegang tot de galerijen van bastion Saxen verloren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is geen poging ondernomen om ook dit gangenstelsel op te sporen en in te richten als schuilkelder.

In 1993 slaagde de werkgroep kazematten van Stichting Maastricht Vestingstad er in toegang te krijgen tot het gangenstelsel vanuit de bomvrije kazemat in de keel van het bastion. Een groot deel van het gemetselde gangenstelsel bleek nog volledig en gaaf intact te zijn. Enkele gangen waren geheel of gedeeltelijk vol gelopen met grond. De destijds provisorisch ingerichte toegang in de kazemat bestaat nog steeds.


Bomvrije onderkomens
In de jaren 1775-1777 krijgt bastion Saxen een kazemat in het kader van de grootschalige moderniseringsoperatie naar de plannen van Du Moulin. De oude -niet gemetselde- mijngalerijen, die onder deze kazemat lopen moeten dan met mergelblokken worden dicht gemetseld.[12] Deze kazemat wordt in de keel van het bastion gebouwd en heeft daar een gevel met een toegangsdeur en twee ramen. Achter de gevel bevinden zich vier ruimtes, een toegangsportaal, een kruitkamer en twee verblijfsruimtes die elk van een stookplaats zijn voorzien. In deze kazemat werden in het jaar 1787 muitende manschappen van het regiment Mönster uit Den Bosch ingesloten.[13] Na de opheffing van de vesting werd de kazemat langere tijd als opslagruimte gebruikt, het laatst als bergruimte voor aardappelen. In verband met het gebruik als opslagruimte, werd het rechter raam uitgebroken en omgevormd tot inrijpoort. De gevel van de kazemat werd in 1995 in opdracht van de gemeente Maastricht gerestaureerd door aannemersbedrijf Tilly.[14] In de keel van het bastion ligt ook nog een klein kruitmagazijn dat tegenwoordig niet meer zichtbaar of toegankelijk is omdat het geheel onder een pakket aarde geschoven is.



[1] Inzake gouverneur Waldeck, zie Serve Minis, De terugkeer van de gouverneurs, Maastricht 1998, 28-33.
[2] Minis, gouverneurs, 37-41, en Jos Notermans, Daniel Wolff van Dopff (1650-1718) en de militaire ingenieurskunde in vestingstad Maastricht, in: Eric van Royen (red.) Maastricht kennisstad, Maastricht 2011, 72-88.
[3] Voor verklaring van vestingbouwkundige termen zie: https://coehoorn.nl/terminologie/
[4] L.J. Morrreau, Bij de restauratie van het Bastion Holstein te Maastricht. In: De Maasgouw 1979, 6 -14 en L.J. Morreau, De restauratie van de Hoge Fronten te Maastricht I. In: De Maasgouw 1981, 95-102.
[5] L.J. Morreau, Bolwerk der Nederlanden, Assen 1979 (Bolwerk), 185.
[6] Bolwerk 195-198.
[7] Een kapitale galerij is een galerij die door de saillant van een vestingwerk loopt en het werk in twee helften verdeelt.
[8] Een magistrale galerij is een galerij die de buitenomtrek van een vestingwerk volgt.
[9] Bolwerk 291 en 295.
[10] Bolwerk 291 en 293.
[11] Bolwerk 308.
[12] Bolwerk 307 en 308.
[13] https://vestingmaastricht.nl/de-monstermannen-1787
[14] Restauratie kazemat Saxen, In: Om de Vesting nummer 2 1995, 4 en 5.